Het overlijden van Baronesse Van Pallandt-Golstein

Afbeelding overlijdensakte van Baronesse van Pallandt_Goltstein

Overlijdensakte van Baronesse Van Pallandt-Goltstein

 

Na het overlijden van Mevrouw Van Pallandt op 20 april 1917 werd in het weekblad gewijd aan Christelijke Philanthropie " HET OOSTEN", orgaan van de Weesinrichting Neerbosch, onder de kop "Kroniek der Weesinrichting" door ds. J Schrijver, predikant-directeur van Neerbosch, een verslag gegeven van de begrafenisdienst, zoals die door ds. P.J. van Melle van Nijkerk werd geleid.

 

Ingekorte versie:

"Dinsdagmorgen is de Edelvrouwe begraven, die voor honderden kinderen van ons volk als een teedere Moeder geweest is. Mevrouw de Baronesse Aylva van Pallandt zorgde voor lichaam en ziel van de kinderen, die zij in haar stichting te Putten opnam en zonder eenige bijdrage in de verplegingskosten verzorgde. Dit werk, in stilheid begonnen en zoo trouw en zoo vol toewijding voortgezet was weinig bekend, maar werd door velen gezegend: in het hart van alle kinderen, die in het Puttensche Weeshuis geweest zijn staat een zuil der herinnering en daarop…God heeft door den Heer en Mevrouw van Pallandt groote dingen aan ons gedaan. En hiermeê uit, want deze menschen willen niet dat er van hun werk gesproken wordt: Het is de Heer.

Dinsdagmorgen vroeg dan trokken velen naar den Vanenburg te Putten. Allereerst was daar de familie, verder allen die tot het einde met en om Mevrouw Van Pallandt hebben geleefd en gewerkt en ook de kinderen van het Weeshuis met hun geleiders. Ds. P.J. van Melle van Nijkerk, die de leiding der begrafenis had, sprak nu: Zoo is dan de dag gekomen, dien wij zoo lang tegemoet hebben gezien en toch zoo gaarne nog verschoven hadden willen zien, de dag, dat wij bijeen zijn om de uitvaart bij te wonen der Edelvrouwe, die het kostelijk huis Haar ter woon gegeven verwisseld heeft met veel beter Huis. Haar in de hemelen bereid; Een Edelvrouwe, die in hart en in leven van de meesten onzer zulk een ruime plaats besloeg. Het is mij eene groote eer en tegelijk een weemoedig genot, dat het mij vergund is tot Hare lijkkist het woord te spreken waarmede wij afscheid van Haar nemen. Een woord ook, waar mede Zij zelve afscheid neemt van de plek, waar Zij bijna een halve eeuw 's-levens lief en leed heeft ervaren, en hare kracht heeft gewijd aan de taak door God Haar aangewezen.

 

Het was de wensch der Ontslapene, dat er bij deze gelegenheid een woord zou gesproken worden van lof en dank. Van lof en dank; neen, zeker, dat was niet Haar wens, dat wij hier Haar zouden loven en danken, Haar in de hoogte zouden steken; Haar, die altijd Haar eigen naam en werk zooveel mogelijk op den achtergrond hield. Maar dat wij als uit Haar naam Hem zouden loven en danken, die Haar gesterkt heeft onder de beproevingen, die Haar deel waren op de levensreis; die Haar bekrachtigd heeft onder de lichaamspijnen, die Haar jaren lang hebben gekweld, om het werk voort te zetten en vol te houden, waaraan Zij de liefde van Haar hart had gegeven, en die Haar heeft willen gebruiken om velen tot steun en zegen te zijn. Uit Haar naam danken wij Hem, dat Hij Haar behoed heeft voor het overleven van zichzelve; dat Hij tot het laatste Haar bewaard heeft bij de volkomen helderheid van geest, en Haar verschoond heeft van een langdurig ziekbed en volslagen hulpeloosheid; dat Hij Haar een zacht uiteinde heeft verleend, en Haar met lankheid der dagen verzadigd te hebben. Haar Zijn heil heeft doen zien. En dit laatste is van alles het beste. Dit was het blij vooruitzicht, dat Haar streelde en waarnaar uitging Haar innig verlangen, hoezeer zij ook bereid was, zoolang God Haar wilde sparen, aan het werk te blijven, dat Hij Haar gaf om te doen. Wij brengen Gode dank toe, dat wij dit alles van de ontslapene mogen getuigen, En hoe veel reden van dank hebben wij voor hetgeen de Heer ons in Haar geschonken en gelaten heeft; voor het voorrecht, dat wij Haar hebben mogen kennen; voor alles, wat Hij door Haar heeft willen doen voor zoo vele arme weezen, die aan Haar eene verstandige, trouwe en milde verzorgster hadden, wier liefdevolle belangstelling hen volgde, lang nadat zij eene zelfstandige plaats in het leven hadden ingenomen. Het is uit naam van die allen, dat ik hier een woord van innigen dank spreek, Ja, daar wordt veel, zeer veel door velen verloren in Haar van wie wij hier afscheid nemen. En dat is meer dan men in den regel zeggen kan van iemand, die op 88-jarigen leeftijd heengaat. Daar zijn er hier, ik weet het, die, al is het dan ook met dankbare herinneringen, toch bekommerd en bedrukt bij deze lijkkist staan en vragen: "Wie zal ons het goede doen zien?' Wie zal ons het verlies vergoeden, dat wij lijden door het heengaan van Haar, die ons zoo lang tot steun, zoo dikwijls tot eene Toevlucht was?

 

Het weeknummer vervolgt met een verslag door ds. J Schrijver van de schenkingen aan de Weesinrchting "Neerbosch"gedaan:

"Maar ik wilde u vertellen van eenige dingen die mij troffen, mooie dingen. Wij vertellen u ook wel eens van die foei-leelijke dingen en dat doen we om u een juist beeld te geven van ons werk, van onze zorgen op Neerbosch. Met geflatteerde balansen gaat 'n werk op de flesch en is een Stichting niet gebaat. Doch van mooie dingen te kunnen spreken is rijk, gelukkig. Zoo zij u dan bekend, dat wij een slager hebben, die reeds jaren en jaren de Stichting bedient en die dat best doet. Hij levert voor matigen prijs en heeft ons in dure tijden nooit het vel over de neus gehaald. De kwaliteit van hetgeen hij levert is puik en het gewicht is nooit schriel maar altijd royaal. En nu weet ik wel dat zoo'n klant als de Weesinrichting voor hem, als een grote slager met een klandisie van rijkdom, zeer gemakkelijk is en te pas komt in zijn zaak, maar ik had toch waarlijk niet durven hopen dat hij in dezen tijd ons met Paschen weer zoo'n groote hoeveelheid vleesch present zou geven. Wéér zeg ik, want dat doet hij ieder jaar. En waarlijk, het Paaschgeschenk kwam opnieuw. Ziet, in dat volhouden, die trouw in het geven, is voor mij althans iets bijzonder opmerkelijks gelegen. Dat beteekent een goede gezindheid en stemming ten opzichte van het werk hier van den kant des gevers en brengt ons gedurig de verzekering; gij kunt erop rekenen dat wij u niet alleen laten staan voor de zorgen van uwe kinderen.

 

Iets anders. Daar komt een brief uit de hofstad en daar zit ƒ 100,-- in. Er is 'n briefje bij, 'n briefje van trouwe vriendenhanden. En wat lezen we…deze gift voor de weezen is van een grootmoeder, die voor de herstelling van haar kleinkind een offer aan den Heer beloofde. Maar het kleinkind stierf… en nu zendt zij toch de gave, want het gebed is verhoord omdat het geliefde pand geloovig is afgestorven: het kleinkind is thans heelemaal beter, naar lichaam en ziel. Dat was ook een lente-ervaring en ik wil u wel bekennen, dat het mij bijzonder trof. Welk een heerlijke gemoedsgesteldheid van grootmoeder.

Nog een andere ervaring. Onze broeder H. van Beek is dezen winter op het ijs gevallen en na 14 weken aan het bed, stoel en kamer gebonden te zijn geweest, nu aan den huppel gekomen. Een zware beproeving vooral voor iemand, die zoo gaarne bij zijn werk is, en die al zag hij dat het uitstekend werd waargenomen, het toch liefst zelf doet. Zijn jongens, schooljongens, zonder 'n cent op zak, maar met 'n hart onder de blouse, weten wat broeder geleden heeft en vonden het zielig zooals hij daar eerst op z'n krukje rondkroop. Daar moet wat gedaan worden…dat zeiden ze niet, neen zulke peuters maken gelukkig nog geen program van actie, maar dat voelen ze. En waarlijk er wordt 'n klein kapitaaltje bij elkaar gebracht….Deze heeft een broer met centen, die een zusje…met kapitaal, in ieder geval: het is bij elkaar en daarvoor moet 'n aardigheid gekocht voor broeder. Prachtig zeg ik, prachtig!

Nog een. Door het overlijden van Mevrouw de Baronesse A. Aylva van Pallandt van den Vanenburg kwamen wij op eens voor groote vermeerdering van ons gezin, want alle kinderen daar te Putten in het Weeshuis komen nu door onderlinge afspraak met ons bestuur en door de beschikking dezer Edelen voor rekening van Neerbosch. Dat is een uitbreiding van belang en in eens en in dezen tijd! Wij moeten dan ook geregeld bijna alle aanvragen om opname in onze Stichting afschrijven en zullen voorlopig alleen plaats maken voor heele weezen, die in hun woonplaats geen Weeshuis hebben, waar zij kunnen opgenomen worden. Dan deze geweldige uitbreiding onzer populatie brengt geen klacht, geen zucht op onze lippen. Wij noemen dat bij onze mooie lente-ervaringen, bij de dagen, die iets opvallends hebben, waarin veel is dat zegenend op ons inwerkt en dat U ook zal treffen, daarom vertellen wij het. Immers zooals wij u eerder meêdeelden, heeft het echtpaar Van Pallandt te Putten jarenlang voor weeskinderen gezorgd, en wel dezulken, die het meest om hulp verlegen waren. En nu zijn zij heengegaan…,maar hunne werken volgen hen: zij maken het af en zetten het voort, door Neerbosch. Geen plotselinge onttrekking, maar voltooiing van de levensweg, waartoe ze geroepen waren en die ze zich gesteld hadden. En dat niet op een wijze, die ons doet zeggen: was mijn beurt maar voorbij gegaan, maar met een echt noblesse oblige: Het Weeshuis te Putten met wat er aan en om is, is gelegateerd aan de Weesinrichting plus een boerderij te Kollum in Friesland. Ik wil wel zeggen, dat deze heele wijze van beredderen mij allerweldadigst heeft goed gedaan en dit is zeker dat menigeen van de vele kinderen, die door den Heer en Mevrouw Van Pallandt zijn opgenomen om te verzorgen met ons moeten verklaren: Die hebben verstaan wat het zeggen wil… de armen hebt gij altijd met u, indien gij wilt gij kunt hen weldoen".

Uitgelicht