Zaaien en oogsten bij de molen door K. Friso

Uitgave: Jaarboek 1993 van het Puttens Historisch Genootschap

 

De molen "t Hert" herinnert aan de tijd waarin de korenvelden het beeld van de Puttereng bepaalden. Als een wachter stond de molen vroeger aan de ingang van het dorp uitziende naar het ogenblik waarop het graan kon worden gedorst. De molen hoorde bij de Puttereng en vormde het sluitstuk van een jaarlijks terugkerend proces van zaaien, maaien oogsten en dorsen. Levend van dezelfde wind die in de oneindige ruimte van de Puttereng het koren deed rijpen, wentelden de wieken zodat de miljoenen graankorrels door de molenstenen tot meel konden worden fijngemalen. Dat hele gebeuren van zaaien, maaien, oogsten en dorsen sprak tot de verbeelding van de Puttenaar. Van het verloop van die cyclus was hij afhankelijk. De boer had dan ook een grote eerbied voor het wonder dat zich elk jaar opnieuw in de Puttereng voltrok. Een wonder van de natuur. Een wonder van God, die wolken lucht en winden….wijst spoor en loop en baan…. Het zaaien, maaien, oogsten en dorsen riep bij hem beelden op uit de bijbel, een boek dat er vol van stond.

 

Tegenwoordig staat de Puttereng vol huizen. De molen staat er bij alsof hij vroegtijdig in de VUT moest gaan. Nadat de korenvelden verdwenen en andere apparatuur zijn taak overnam draaien de wieken voornamelijk om te voorkomen dat de subsidies van overheidswege stil zullen gaan staan. De molen is monument geworden. Is gaan behoren tot het erfgoed van de vaderen, waard om bewaard te worden als herinnering aan de oogst, die in de wind ruist. Zowel de eigenaren (de gebroeders A. en G.W.A. van de Poll) als de gemeente en de provincie moesten heel wat offers brengen om de molen te behouden en om hem in goede staat aan het nageslacht te kunnen overdragen. In 1981 moest het oude molenhuis worden afgebroken in het belang van de verkeersveiligheid. Enkele schuren - waaronder een eekschuur - konden blijven staan. In de molen werd vroeger niet alleen graan gemalen maar ook eikenschors. De gemalen schors -eek genoemd - werd aangewend in de leerlooierij.

 

Generaties lang behoorde de molen toe aan de familie Van de Poll. We weten dat een zekere Hendrik van de Poll, geboren in 1760 en overleden in 1847 de molen al in eigendom had. In 1898 brandde de molen af en werd nog hetzelfde jaar herbouwd. De molen " 't Hert" is een van de weinige gebouwen aan de Engweg, die nog aan onze vaderen herinnert. Naast de molen staat het rusthuis "Elim" en verderop de pastorie van de Nieuwe Kerk. (Inmiddels afgebroken t.b.v. uitbreiding van "Elim". Red.) Allemaal nieuwe gebouwen uit de na-oorlogse tijd. Weinigen weten dat zich daar bij die molen in het verleden heel wat heeft afgespeeld.

 

Op het perceel van het huidige rusthuis "Elim" bouwden in 1852 de Christelijk Afgescheidenen een kerkje. De Christelijk Afgescheidenen waren de volgelingen van Hendrik de Cock uit Ulrum, die zich in 1834 van de Hervormde Kerk afscheidde. Zij verenigden zich in 1892 met de dolerenden, die in 1886 de Hervormde Kerk hadden verlaten. Daaruit ontstonden de Gereformeerde Kerken. De Christelijk Afgescheiden gemeente telde in 1852 slechts 37 zielen en onderhield een predikant, Ds. W. van Leeuwen. Over hetgeen zich in de beginjaren binnen de gemeente van de Christelijk Afgescheidenen voorviel verkeren we in duisternis. De in 1858 fungerende kerkenraad, bestaande uit Ds. P. Kapteyn, de ouderlingen H. van Malenstein en D. Bakker en de diakenen G. Mulder, J. Koster en E. van Malenstein, besloot namelijk de notulen over de periode 1851-1853 te vernietigen "teneinde de toen voorgevallen onaangenaamheden in vergetelheid te stellen". In de kerkenraadsvergadering van 15 december 1858 werden de bladen, bevattende de "onaangename" notulen uit het notulenboek gesneden en in aller tegenwoordigheid verbrand. In de geschiedenis komt het herhaaldelijk voor, dat boeken van anderen worden verbrand. Hier verbrandde de kerkenraad een deel van zijn eigen boek. Een stukje plaatselijke kerkgeschiedenis verdween daarmee voorgoed. Het kerkje en de daarbij behorende pastorie werden in 1873 verkocht aan Baron Aylva van Pallandt, wonend op het landgoed Vanenburg. De Christelijk Afgescheidenen vestigden zich aan de Dorpsstraat op een terrein waar zij al eerder een bijzondere school hadden gesticht. Deze school bestond enkele jaren maar moest wegens gebrek aan voldoende geldmiddelen worden opgeheven.

Ayla Baron van Pallandt had het kerkje en de pastorie gekocht met de bedoeling deze bebouwing in te richten als verzorgingshuis voor bejaarden. In maart 1873 namen negen oudjes hun intrek in het tehuis. Mevrouw van Pallandt zat hele dagen achter de naaimachine om voor de oude vrouwtjes "een nette uitzet te maken". Voor de kleding van de mannen werd een kleermaker aan het werk gezet. Al gauw vertrokken drie van hen. De anderen bleven tot hun overlijden in het tehuis. Het echtpaar van Pallandt veranderde de plannen en bepaalde zich in het vervolg tot opneming van ouderloze kinderen. Er werden twee vleugels aan het kerkje gebouwd en een tweede verdieping op het gebouw aangebracht. In september 1874 werden twee lokalen voor een bewaarschool bijgebouwd, bestemd voor de gestichtskinderen maar ook voor de kleuters van het dorp. Een verstandige daad, omdat daarmee de weeskinderen met de "gewone" dorpsjeugd in aanraking werden gebracht.

 

Afbeelding van molen "Het Hert"

De eerste vader van het Weeshuis was een rustend hoofdonderwijzer, de heer Baarschers, die in 1873 naar Putten kwam. In 1880 werd zijn opvolger de heer Chef d'Hotel, die op zijn beurt in 1887 werd vervangen door Mevrouw Bodt. Zij was er maar kort en werd opgevolgd door het echtpaar Dekker, dat in 1894 vertrok. Daarna volgde de aanstelling van het echtpaar Steenhuis tot vader en moeder van het weeshuis. Dit echtpaar leidde het Weeshuis lange tijd en het vervulde vol ijver en trouw zijn taak. Naast vader van het Weeshuis was de heer J. Steenhuis nauw betrokken bij het kerkewerk. Hij behoorde tot de Chr. Afgescheiden gemeente, die zich na 1869 Christelijke Gereformeerde Kerk noemde en later na 1892 Gereformeerde Kerk.

 

De heer Steenhuis moet van frisse lucht hebben gehouden, want toen hij amper in Putten ter kerke ging klaagde hij over de walm, die in het kerkgebouw aan de Dorpsstraat heerste. In die tijd kenden de kerkgebouwen nog geen centrale verwarming en om niet helemaal te verkleumen namen de kerkgangers stoven mee naar de kerk. De kooltjes in de stoven rookten vaak en in de kerk hing dan ook in de koude tijd een rooklucht, die niet bepaald als aangenaam werd ervaren. De klacht van de heer Steenhuis leidde er toe dat de kerkeraad besloot om in het kerkgebouw voor "doorluchting" te zorgen. Die "doorluchting" werd bereikt door in de kerkmuren een aantal gaten te laten slaan zodat de walm er uit kon. Of het op de tocht zitten zo bevorderlijk voor de gezondheid der gelovigen was moeten we betwijfelen. Steenhuis was jarenlang scriba van de kerk. In 1902 bedankte hij vanwege een in de kerkenraad uitgebroken onenigheid. In 1905 was de vrede kennelijk weer getekend want dan blijkt hij weer als notulist te fungeren. Tot 1 januari 1908 notuleerde hij als scriba ijverig voort. Volgens de regels der kerk moet hij dan periodiek aftreden. Nadien is hij scriba tussen 1 januari 1912 en 1 januari 1916. Steenhuis verzette veel werk voor de kerk. Zijn functie als vader van het weeshuis ontnam hem de mogelijkheid om veel huisbezoeken te doen. Huisbezoek werd overdag afgelegd en dan vroeg het weeshuis zijn tijd. Andere ouderlingen namen het hem wel eens kwalijk dat hij alleen maar notuleerde, brieven schreef en classicale vergaderingen bezocht. In de kerkenraadsnotulen wordt die ergernis tot uiting gebracht: "Nooit heeft broeder Steenhuis tijd voor huisbezoek. Dan is het weer het weeshuis en dan zegt hij weer dat hij dat eerst de baron moet vragen".

 

Het aantal weeskinderen schommelde voortdurend. In de laatste jaren - kort voor 1917 - bedroeg het aantal 47. Soms bedroeg het meer, soms wat minder. Al die kinderen werden gevoed, gekleed, verzorgd en onderwezen voor rekening van baron van Pallandt en diens echtgenote baronesse van Pallandt-van Goltstein. Onvoorstelbaar hoge bedragen werden aan de weeskinderen besteed. Daarbij kwamen nog de kosten van aankoop van het kerkje en pastorie, de kosten van uitbreiding van deze verbouwing tot weeshuis, de kosten van inrichting en onderhoud en de kosten van het personeel. Bovendien bekostigden zij de bewaarschool (inclusief het personeel) geheel voor eigen rekening. De steun van het adellijk echtpaar beperkte zich niet uitsluitend tot het stoffelijke. Hun steun ging veel verder. Persoonlijk bemoeiden zij zich met elk weeskind en lieten die zorg niet zomaar aan anderen over. Heel vaak en regelmatig bezochten ze het Weeshuis. Nadat de baron in 1906 overleed liet mevrouw zich in weerwil van haar lichamelijke toestand toch elke donderdag naar het Weeshuis rijden waar ze zich samen met vader en moeder Steenhuis met de belangen van elk kind afzonderlijk bezighield. Ook nadat de wezen het tehuis hadden verlaten ondervonden zij nog vaak hartelijke belangstelling en hulp van de baron en de baronesse. De Van Pallandts meenden al dit werk vanuit hun christelijke levensovertuiging te moeten verrichten. Baron van Pallandt stimuleerde de oprichting van bijzondere christelijke scholen in Putten en speelde een actieve rol bij de oprichting van christelijke scholen in Hoef (1899) en in het dorp (1903). De weeskinderen bezochten de christelijke school aan de Voorthuizerstraat. Er waren veel blijde dagen in het Weeshuis. Daartoe behoorden de kerstfeestvieringen. De kinderen uit de omgeving werden ook uitgenodigd. De Baron vertelde zelf het kerstverhaal. En dan de zomerfeesten! Sedert 1875 werden de weeskinderen elk jaar opnieuw een dag onthaald op het landgoed Vanenburg. Aan het blad "De Vriend des Huizes" ontlenen we daarover het volgende: "Na eene wandeling over het heerlijke buiten met zijn overvloed van bloemen, zijn bosch en den mooien uitkijktoren, werden de kinderen onthaald op aardappelen met zoutevisch, daarna rijst met suiker en eindelijk op taart met koffie en pruimen. In 1875 waren twee rijtuigen nog voldoende om de kinderen af te halen. Later, toen het aardbeienfeest was ingesteld, moesten acht rijtuigen worden volgepropt. En als St. Nicolaas in het land was dan sloeg hij waarlijk het Weeshuis te Putten niet over en kreeg groot en klein zijn deel."

 

In het jaar 1900 bevatte de Puttensche Courant een verslag van een aardbeienfeest dat op zaterdag 30 juni van dat jaar plaats had. Een gedeelte van dit verslag willen we citeren: "Zooals gewoonlijk jaarlijksch geschiedt, werd door de Hoogwelgeboren Heer en Mevrouw van Pallandt weer een zoogenaamd Aardbeienfeest georganiseerd op Vanenburg voor de kinderen van het Weeshuis alhier. Tot dat einde werden de kinderen van het Weeshuis hedenmiddag door een zevental rijtuigen afgehaald en naar Vanenburg gereden wat natuurlijk een prettige rijtoer was voor het jonge volkje. Bij aankomst op Vanenburg werden de kleine feestgangers, alsook de Heer J. Steenhuis en gade, onder wier leiding de kinderen waren, hartelijk verwelkomd. Nadat eenige versnapering was gebruikt en een paar liederen werden gezongen, werden de tuinen in oogenschouw genomen. Vandaar begaf de feeststoet zich naar de boerderij waar de heerlijke vruchten gereed stonden voor gebruik. Naar hartelust werd gegeten van de aardbeien, die zich goed lieten smaken, alsmede van de andere vruchten welke waren opgedischt. Daarna konden de feestgenoten terug naar de Orangerie, alwaar door een drietal meisjes een lied werd gezongen, alsmede enkele andere liederen door het geheel. Aan alle feestgenoten werd een bouquet overhandigd en nadat de hooge Weldoener Psalm 134:3 was toegezongen, vertrok de feeststoet weer per rijtuig naar Putten en wel over Steenenkamer wat bijzonder in de smaak der kinderen viel. 't Was de kinderen aan te zien dat ze genoten hadden en wij zijn overtuigd dat dit uitstapje en feest voor de kinderen nog lang in herinnering zal blijven."

 

Toren bij de Vanenburg

Er waren ook droeve dagen op het Weeshuis. Groot waren de zorgen als er een besmettelijke ziekte heerste. Zo in 1875 toen 12 kinderen en in 1892 toen 21 kinderen mazelen kregen. Gevaarlijker was het in 1890 toen 9 kinderen wegens difteritus ernstig ziek werden. Vijfmaal in de historie van het Weeshuis eiste de dood een slachtoffer. Daar hoorde ook de kleine Betty bij, vier jaar oud. Als Baron van Pallandt op het Weeshuis kwam pleegde ze altijd op zijn knie te kruipen. 't Was een zwak schepseltje dat aan kinkhoest bezweek. In 1917 stierf Baronesse Aylva van Pallandt in de leeftijd van 88 jaar. Het Weekblad "Het Oosten" schreef: "Dinsdagmorgen is de Edelvrouwe begraven, die honderden kinderen van ons volk als een teedere Moeder geweest is. Mevrouw de Baronesse Aylva Van Pallandt zorgde voor lichaam en ziel van de kinderen die zij in haar stichting te Putten opnam en zonder enige bijdrage in de verplegingskosten verzorgde. Dit werk, in stilheid begonnen en zoo trouw en zoo vol toewijding voortgezet, was weinig bekend maar was een zegen voor velen. In het hart van de kinderen, die in het Puttensche Weeshuis geweest zijn staat een zuil der herinnering. God heeft door den Heer en Mevrouw van Pallandt van den Vanenburg groote dingen aan ons gedaan." Op die dinsdagmorgen togen velen naar de Vanenburg om de laatste eer te bewijzen: veel belangrijke autoriteiten, alle raadsleden van Putten, vertegenwoordigers van allerhande instellingen voor verpleging of krankzinnigenzorg waarvoor de familie Van Pallandt altijd veel gedaan had en ook de kinderen van het weeshuis. Zij waren er om afscheid van hun moeder te nemen.

 

Al in 1885 hadden de Van Pallandts onderhandeld met het bestuur van de Weesinrichting te Neerbosch over overname van het Puttense Weeshuis na hun overlijden. Ze hadden het nodige kapitaal daarvoor willen laten vastleggen. Tot een goede afspraak kon niet worden gekomen. Wel werden overeenkomsten gesloten op grond waarvan wezen uit Putten naar Neerbosch zouden gaan zodra ze een vak wilden leren. Daartegenover stuurde Neerbosch weer jongere wezen naar Putten. Zo bestond er een band tussen beide weesinrichtingen. Na het overlijden van mevrouw van Pallandt werd het Puttense Weeshuis opgeheven. Er bleek inmiddels toch een goede regeling met de Weesinrichting te Neerbosch te zijn getroffen. Alle weeskinderen vertrokken naar Neerbosch. Op 31 mei 1917 verlieten de laatste meisjes het weeshuis.

 

Eerder genoemd weekblad "Het Oosten", orgaan van de Weesinrichting te Neerbosch, schrijft: "Door het overlijden van mevrouw de Baronesse van Aylva van Pallandt van den Vanenburg kwamen wij opeens voor een vermeerdering van ons gezin, want alle kinderen daar te Putten in het Weeshuis komen nu door onderlinge afspraak met ons bestuur en door de beschikking dezer Edelen voor rekening van Neerbosch. Dat is een uitbreiding van belang en ineens en nog wel in dezen tijd! Deze geweldige uitbreiding van de populatie van ons weeshuis brengt geen klacht, geen zucht over onze lippen. Immers, zoals wij reeds eerder meededeelden heeft het echtpaar Van Pallandt te Putten jarenlang voor ongeveer 50 kinderen gezorgd en wel dezulken die het meest om hulp verlegen waren. Het echtpaar is heengegaan maar hunne werken volgen hen. Zij maken hun werk af en zetten hun werk via ons weeshuis voort. Geen plotselinge terugtrekking maar voltooiing van hun levenstaak. Met een echt noblesse oblige. Het weeshuis met wat er aan, er in en er om is, is aan onze inrichting gelegateerd. Bovendien nog een boerderij te Kollum in Friesland. Zij lieten hun kinderen niet met niets achter."

 

De Hervormde Diaconie nam het gebouw van het Weeshuis voor ƒ 20.030,-- over om het in te richten als "Tehuis voor Oude Mannen en Vrouwen". De bewaarschool bleef nog lange tijd voortbestaan, en veel Puttenaren hebben daaraan nog herinneringen. Nu staat op het perceel het rusthuis Elim. Niets meer herinnert ter plaatse aan edele mensen, die vlak naast de molen zaaiden en oogsten en rijke vrucht voortbrachten.

 

Putten, juni 1993

Uitgelicht