Inventaris van het archief van de gemeente Putten (1793) 1795–1939 (1947)

Het archief van de gemeente Putten 1795 - 1939

Inleiding

In deze periode is Putten een landelijke gemeente in het hart van Nederland. De oppervlakte bedraagt 8.745 hectare. De gemeente ligt gedeeltelijk in het grootst aaneengesloten bosgebied van Nederland, het Centraal Veluws Massief. Het noordwesten van de gemeente wordt begrensd door de Zuiderzee die in de jaren 1927-1932 door de afsluitdijk IJsselmeer is geworden. In het Noorden en Oosten wordt de gemeente begrensd door de gemeente Ermelo en in het zuiden door de gemeente Barneveld en Nijkerk.

De bodem is zeer grillig. De hoogteverschil is groot. Aan de kust varieert de hoogte van 0,8 tot 1,5 meter boven NAP maar daalt landinwaarts tot -0,2 meter NAP (de Arkemheensepolder) om daarna te stijgen naar een hoogte van ± 50 meter boven NAP aan de zuidoostkant van de gemeente. Het centrum van het dorp ligt op een hoogte van ongeveer 17 meter.

In 1795 woonden zo'n 2.250 inwoners in de gemeente. De gemeente was verdeeld in een hoofddorp en in verschillende buurtschappen. Als buurtschappen werden genoemd: Norden, Bijsteren, Halvinkhuizen, Huinen, Koudhoorn, Veenhuizen, Krachtighuizen, Gerven, Hell, Diermen, Hoef, Steenenkamer, Nuld, Dasseler en Oever. Later werden Arkemheensche polder en Huinerveld toegevoegd. Het inwoneraantal in de gemeente groeide in 1939 naar zo’n 9.000 inwoners.

De meeste wegen bestonden uit zand en maar enkele wegen bestonden uit steen. De meeste goederen werden met paard en wagen vervoerd. Omdat de gemeente aan de Zuiderzee lag werd voor het goederenvervoer van en naar Amsterdam veelvuldig gebruikgemaakt van de zee.

De gemeenschap heeft een eigen taal het 'Putters'.

Geschiedenis van de gemeente

Na de overmeestering van Nederland door de Fransen vluchtte stadhouder Willem V naar Engeland en werd het bestuur overgenomen door revolutionaire comités van patriotten. Deze groeperingen waren voorstander van gelijke rechten voor alle burgers. Zo ontstond in 1795 een nieuwe periode voor Nederland en in het bijzonder voor de gemeente Putten. Deze periode werd ook wel de Franse-Bataafse tijd genoemd en duurde tot 1813.

Door verkiezingen, die in de Nederlands Hervormde Kerk werden gehouden, werd een volksvertegenwoordiging gekozen. Hiervoor was een commissie ingesteld om kandidaten te werven voor de municipaliteit . Het bestuur vergaderde in Putten en een vertegenwoordiger van het plaatselijk bestuur moest de zogenaamde kwartiervergaderingen in Arnhem bijwonen.

In 1796 werd P.N. van Brummelen als president aangesteld van de municipaliteit en Steven Koop als vice-president. In 1798 kwam de eerste staatsregeling tot stand. Dit hield in dat op 16 april 1798 het ambt Putten ophield te bestaan als zelfstandige bestuurseenheid. Het ambt Putten werd toen gecombineerd met het ambt Nijkerk. Bijeenkomsten werden in de kerk gehouden. Notulen of verslagen van deze vergaderingen werden niet aangetroffen.

Op 6 februari 1799 werd de oude orde in het ambt Putten hersteld en de term municipaliteit werd vervangen door gemeentebestuur. Voor de bijeenkomsten van het gemeentebestuur werd een kamer gehuurd in de herberg of lokaliteit van C.J. van Dompseler te Putten.

Na de inlijving bij het keizerrijk in 1795 werden de municipale raden (leden van de gemeenteraad) door de prefect van het Departement van de Boven IJssel, waartoe Putten toen behoorde, benoemd.

Naast de maire (voorzitter) werden nog 10 burgers benoemd die gezamenlijk de gemeenteraad vormden.

Napoleon verordineerde dat iedere burger een achternaam moest hebben. Het gemeentearchief beschikt over een register van geslachtsnaamaanneming 1811 opgemaakt in het jaar 1812. Dit is het begin van de Puttense Burgerlijke Stand.

Na 1813 werd de Franse overheersing beëindigd. Koning Willem I werd ingehuldigd en er werd een Grondwet vastgesteld. De meeste personen hadden een achternaam. De Nederlandse regering zag het voordeel van de achternaam in en gaf de personen, die nog niet in de gelegenheid waren om een geslachtsnaam te kiezen, de gelegenheid tot 1 januari 1814 om dit alsnog te doen. Pas in 1824 verplichtte de Nederlandse regering de burgers tot het dragen van een geslachtsnaam.

Na invoering van de Gemeentewet in 1851 werd het gemeentebestuur uit de plaatselijke bevolking gekozen. Het bevolkingsregister van Putten werd in 1850 ingericht. Op dat moment bleek dat er veel personen met dezelfde achternaam waren. Om verwarring te voorkomen werd besloten de gemeente in te delen in 10 buurtschappen. Zo werden de woningen in de wijken van letter en een huisnummer voorzien. In 1891 zijn de buurtschappen Hoef en Nulde onderverdeeld.

Wegen

De Zuiderzeestraatweg werd op last van koning Willem I aangelegd. Deze weg werd in 1833 verbeterd  en een gedeelte liep door in zee. Door de verharding  van de ondergrond, was het mogelijk de wagens met bomen gedeeltelijk in zee te rijden en ze dichter bij de schepen te laten komen. Op die manier kon de lading makkelijker worden gelost.

De onderhoudskosten van de wegen in de gemeente waren laag. Het onderhoud gebeurde door zogenaamde hand- en spandiensten. In 1815 werd dit systeem ingesteld met de bedoeling het Nederlandse en Geallieerde leger vrije doortocht te verlenen . Hand- en spandiensten hield in dat alle mannen in de gemeente gedurende 5 dagen verplicht waren mee te werken voor onderhoudswerkzaam-heden. Men hielp mee of als handdienstplichtige of als spandienstplichtige.

Een spandienstplichtige was iemand die een paard bezat en deze gratis ter beschikking stelde.

In het verslag van de vergadering van 30 januari 1897 is te lezen dat totaal 4.530 dagen handdiensten waren verricht en 985 dagen spandiensten. Dit systeem werd vlak voor de Tweede Wereldoorlog afgeschaft.

Bij grootschalige wegverbeteringen werden tollen opgericht om tol te kunnen heffen zodat de kosten op de weggebruiker kon worden verhaald.

Onderwijs

In het dorp werd tot 1829 onderwijs gegeven in een gedeelte van de Nederlands Hervormde Kerk. Na 1829 werd een schoolgebouw voor openbaar lager onderwijs gesticht op het Kerkplein.

De school in Huinen werd eerst door het Maalschap   Huinen beheerd. De gemeente nam de school in 1851 over. Daarna werd besloten op dezelfde plaats een nieuw gebouw te bouwen voor openbaar lager onderwijs. In 1857 werd bij de school een onderwijzerswoning gebouwd.

In Diermen was de "buurtschool" in handen van de bewoners van het buurtschap. Het schoolgebouw werd in 1848 aan de gemeente overgedragen en toen werd het een school voor openbaar onderwijs. In 1856 werd in Diermen een nieuwe school gebouwd.

In het buurtschap Steenenkamer werd in 1874 een nieuwe school gesticht en in 1903 werd een nieuwe school te Schovenhorst gesticht.

 

In een onderzoek naar de inkomsten van de onderwijzers te Putten kwam naar voren dat de hoofdonderwijzer in het dorp van het Rijk geen vergoeding kreeg en van de gemeente een vergoeding van 60 gulden per jaar. Het totale bedrag aan schoolgeld, dat de ouders moesten betalen was jaarlijks 475 gulden. Dat bedrag kreeg de hoofdonderwijzer als de vergoeding voor het geven van onderwijs. Het jaarinkomen van de dorpshoofdonderwijzer bedroeg 535 gulden.

De onderwijzer in Huinen ontving 100 gulden van het Rijk en 40 gulden van de gemeente, daarbovenop kreeg hij nog 100 gulden aan schoolgeld van de ouders. De onderwijzer in Diermen kreeg 100 gulden van het Rijk en 49 gulden van de gemeente en 223 gulden aan schoolgeld.

Een hoofdonderwijzer van de openbare school werd, afhankelijk van het aantal leerlingen, verplicht een hulponderwijzer aan te stellen. Deze hulponderwijzer werd door de hoofdonderwijzer zelf betaald.

In de verordening op het lager schoolwezen van 1854 staat vermeld: "De onderwijzer is verpligt voor zijner rekening eenen hulponderwijzer van rang aan te stellen, waarvoor hij van de gemeente eene toelage van vijtig gulden ’s jaars ontvangt".  Bij de invoering van de Lager Onderwijswet van 1857 kwam hierin verandering.

Openbare orde

De gemeente had rond 1813 de beschikking over twee veldwachters en één nachtwacht, ook wel klepperman genoemd.

Mannelijke inwoners in de leeftijd tussen 18-60 jaar van de gemeente Putten waren verplicht om 14 maal per jaar de nachtwachten te houden en hulp te verlenen ter handhaving van de openbare orde.

Tevens waren de mannelijke inwoners verplicht mee te werken met het voorkomen en blussen van brand.

In 1915 werd de veldwachterij uitgebreid met twee veldwachters zodat er vier veldwachters in de gemeente waren.

Vervoer

De aanleg van een spoorbaan in 1864 door de Nederlandsche Centraal-Spoorwegmaatschappij (NCS) leverde een grote bijdrage aan het personen- en goederenvervoer. Het goederenvervoer in de scheepvaart nam geleidelijk aan af terwijl het goederenvervoer over spoor toenam.

De afstand van het dorp naar het station was voor vooruitstrevende en welvarende inwoners van Putten een mogelijkheid om een omnibusdienst op te richten. In de notulen werd onder meer vermeld dat J. Aartsen het gemeentebestuur verzocht om een toelage beschikbaar te stellen voor het instellen van een omnibusdienst. Dit werd door het gemeentebestuur afgewezen.

Weeshuis

De Baron Van Aylva tot Vanenburg en Baronnesse Van Goltstein stichtten in 1873 een huis voor de verpleging van (12) 'oude mannen en vrouwen'. Zes jaar later werd de bestemming gewijzigd in een huis voor wezen en arme kinderen het zogenaamde "Weeshuis van Putten". In de periode van ± 1870 tot en met ±1920 verbleven er 286 weeskinderen. Van de kinderen die in het weeshuis waren ondergebracht zijn genealogieën gemaakt. Deze zijn via de website van het gemeentearchief te raadplegen. Zie de website van de gemeente Putten http://www.putten.nl/content.jsp?objectid=putten:11454

Gemeentehuis

Voordat er een gemeentehuis in de gemeente was, werden door het gemeentebestuur lokaliteiten gehuurd. Rond 1800 werd een lokaal gehuurd van C.J. van Dompseler . In 1850 werden twee voorkamers van burgemeester Verwoerdt gehuurd. Daarna werden twee kamers van wethouder Pasman gehuurd. In de notulen van 1867 staat vermeld dat huur verschuldigd was voor het gebruik van het "gemeentelokaal" in de woning van burgemeester Hiebendaal (Stationsstraat 2). In de notulen van 1886 wordt vermeld dat de huur wordt opgezegd van twee kamers van A. Kamphuis.

In 1887 werd een woning aangekocht van de heer W. van Werkhoven. Na het maken van een bestek met tekening werd de oude woning afgebroken en werd op die plek het eerste gemeentehuis gebouwd. Het gebouw werd in de zomer van 1888 in gebruik genomen.

De baron Willem van Goltstein van Oldenaller schonk voor het nieuwe raadhuis in de Dorpsstraat twaalf stoelen en de echtgenote van baron Van Pallandt schonk een pendule. De Spaar- en Bewaarbank schonk 500 gulden voor de aanschaf van het overige meubilair. In hetzelfde jaar werd een conciërge aangesteld voor diverse werkzaamheden. Het gebouw waarin het eerste gemeentehuis was gevestigd heet nu nog "Het Olde Raodhuus". Daarin is een winkel gevestigd (Dorpsstraat 24).

In het jaar 1932 kwam de burgemeesterswoning aan de Stationsstraat 1 te koop te staan. Na overleg is het pand aangekocht en verbouwd tot gemeentehuis. In 1933 is het 'nieuwe' gemeentehuis in gebruik genomen.

Handel en economie

De gemeente had destijds veel heidegrond in eigendom. De gemeente was spaarzaam bij de uitgifte van gemeentelijke heidegrond. Deze gronden werden gebruikt voor het steken van plaggen en het weiden van schapen. De bedoeling was daardoor de gronden te cultiveren.

Op het grondgebied van de gemeente Putten stonden verschillende papiermolens, die voor het vervaardigen van papier gebruikmaakten van de waterkracht in de beekjes. In de gemeenteverslagen werd soms melding gemaakt van het feit dat, in droge perioden, de papiermolens geen papier konden produceren vanwege de lage waterstand in de beekjes.

Nadat door de raad van de gemeente Putten besloten was de weekmarkt in oude glorie te herstellen, werd deze op 21 oktober 1896 weer gehouden. Zover bekend werd deze markt in de kerk gehouden. Door de grote toevoer van eieren en boter bleek dat er behoefte was voor de inrichting van een afzonderlijke marktplaats.
In 1897 werd het college van burgemeester en wethouders opgedragen een onderzoek in te stellen naar het stichten van een overdekte markt. Op 20 juli 1898 werd door de leden van de raad, college van burgemeester en wethouders en marktcommissie na een aanbesteding de nieuwe markthal, de zogenaamde eierhal, in gebruik genomen.

De armenzorg was tot aan de instelling van de maatschappij van Weldadigheid opgedragen aan de kerkgenootschappen en de gemeente. De oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid in 1818 was een particulier initiatief en bestond uit legaten en giften van derden. Bij de invoering van de Gemeentewet in 1851 werd door de regering voorgesteld de armenzorg beter te structureren. De Armenwet werd in 1854 ingevoerd en in 1912 bijgesteld . In de gemeenteverslagen staat vermeld dat in een bepaald jaar de armoede toe nam. De schrijver somde drie oorzaken op waardoor deze verhoging werd veroorzaakt namelijk: zorgeloosheid, hoge prijzen der levensmiddelen en onbezonnen huwelijken.

De gezondheidszorg was direct een aangelegenheid van het openbaar bestuur. Ieder ambt (gemeente) was verplicht om een chirurgijn (dokter) te hebben. In 1818 werd melding gemaakt van een vroedvrouw in de gemeente.

In 1832 heerste in de gemeente Aziatische buikloop (cholera morbus). De aanwezige geneesheren behandelden de patiënten, maar konden niet voorkomen dat tijdens epidemieën mensen stierven. In de verslagen werd vermeld dat ook in 1855 en 1866 epidemieën waren geweest.

De dokter woonde in het dorp. Het oude huis waarin de plaatselijke geneesheer woonde, werd in 1883 afgebroken en op dezelfde plaats werd een nieuwe dokterswoning gebouwd door Baron Van Pallandt. Deze woning werd verhuurd aan de gemeente voor de huisvesting van de gemeentelijke geneesheer. In 1901 schonk Baron Van Pallandt de dokterswoning aan de gemeente. Dit pand staat aan de Dorpsstraat 42 in Putten.

Aan de huidige Harderwijkerstraat heeft een sanatorium gestaan. Het pand was gebouwd als hotel. In 1899 werd het pand door dokter H.A. Haentjes ingericht als sanatorium. Hij bekleedde in dezelfde periode het beroep van gemeentelijk geneesheer. Na 1928 werd het gebouw verkocht aan de Christelijk Nationaal Vakbond, dat het als vakantie-, conferentie- en congrescentrum gebruikte. Van dit eerste pand zijn nog fotografische afbeeldingen aanwezig.

In 1897 werd een plaatselijke courant uitgegeven door W.J. Prins. Een jaar later werd besloten dat deze krant de officiële courant werd voor gemeentelijke publicaties. De naamgeving werd in de jaren verschillende keren gewijzigd.

Van de uitgegeven publicaties 1897-1939 is een vrijwel complete collectie in het archief beschikbaar.

In 1911 werd langzamerhand elektriciteit in de gemeente aangelegd. Ook de straatverlichting met gaslantaarns werd geleidelijk vervangen door elektrische straatlantaarns.

Geschiedenis van het archief

Locaties

Het archief uit de periode 1795-1939 heeft vele locaties gehad. Toen de eerste archiefstukken ontstonden, beschikte het gemeentebestuur nog niet over een officieel gemeentehuis. Men vergaderde rond 1795 bij de schout. Rond de eeuwwisseling van 1799 naar 1800 vergaderde het gemeentebestuur in één van de plaatselijke herbergen totdat de lokaliteit te duur werd. Daarna werd overeengekomen een ruimte in het huis van de burgemeester in gebruik te nemen. Er werden kasten aangeschaft om er de documenten in te bewaren.

In de gemeenteverslagen, die bij de invoering van de Gemeentewet werden opgemaakt, was een gedeelte opgenomen waar werd vermeld hoe het met de archiefbescheiden was gesteld.

In 1884 was een verslag opgemaakt over het archief door de gemeente-secretaris. Daarin meldde hij: "den staat waarin het archief verkeert, is niet te roemen. Gedeeltelijk is het geborgen op den zolder van het gemeentelocaal  en daar aan stof enz. blootgesteld, gedeeltelijk in kasten, welker ruimte te gering is". De gemeentesecretaris achtte zich niet verantwoordelijk voor de documenten die in het "gemeentelocaal" waren opgeborgen (zie ingekomen stukken nr. 152).

In het gemeenteverslag over hetzelfde jaar werd met geen woord gerept over de slechte toestand van het archief.

In 1887  werd nog gewag gemaakt van het feit dat het archief op zolder van het huis van de burgemeester was gevestigd. Die ruimte fungeerde namelijk ook als speelplek voor de kinderen. De archiefbescheiden hadden daar onder te lijden.

In 1887 werd het eerste officiële gemeentehuis gebouwd aan de Dorpsstraat.

In 1888 werd het gemeentehuis betrokken en waren de archiefbescheiden beter beschermd.

In 1889 was, volgens het gemeentelijk jaarverslag, een inventarislijst gemaakt en werden de aanwezige stukken verpakt in omslagen en in dozen gezet.

Deze inventarislijst is helaas niet aangetroffen. Nu kan niet worden nagegaan of de stukken uit die tijd er allemaal nog zijn en/of waar ze gebleven zijn.

In 1933 betrok het gemeentebestuur het gebouw aan de Stationsstraat 1. Voor die tijd was dat de ambtswoning van burgemeester Vermeer. Het gebouw werd te koop aangeboden na het overlijden van mr. J.A. Vermeer. De archieven werden daar opgeborgen in zogenaamde vierladekasten op de eerste verdieping van het pand.

De archiefstukken uit de periode 1795-1939 werden aan het eind van de jaren 1970 weer verplaatst. Het gemeentebestuur besloot om een nieuw gemeentehuis in het centrum van het dorp te bouwen. De ruimten in het bestaande gebouw werden te klein. In december 1977 was het nieuwe gemeentehuis aan het Fontanusplein 1 klaar en werden de archieven naar hun nieuwe verblijfplaats gebracht.

De archiefruimten werden zoveel mogelijk met de destijds modernste voorzieningen ingericht. Zo werden de vierladekasten vervangen door paternosterkasten. Omdat het oude gebouw geen archiefbewaarplaats had, werd het nieuwe gebouw wel voorzien van een archiefbewaarplaats, die toen voldeed aan de wet. Deze ruimte was ingericht met stalen vaste kasten. In 2003 werd de archiefbewaarplaats verbouwd en voorzien van verrijdbare kasten. Verder werd de 'kluis' van de nieuwste technieken voorzien zodat deze volledig voldeed aan de Archiefwet 1995 en de ministeriële regeling "Bouw en inrichting archiefruimten en archiefbewaarplaatsen".

Verantwoording

Het afbakenen van de archiefperiode 1795-1939 wordt verklaard door het verschil in ordening van de archiefbescheiden in de periode van voor en na 1940. Er is een chronologische ordening gehanteerd tot en met 1939. Daarna is overgegaan naar een zaakgewijze ordening.

Voor de aanvang van de beschrijvingen is er een standlijst opgemaakt omdat diverse archiefgedeelten op verschillende plaatsen in de archiefbewaarplaats stonden. Onder andere zijn verschillende series apart weggezet. Uit de standlijst blijkt dat ongeveer 70 strekkende meter archief beschreven is.

De ingekomen stukken zijn waarschijnlijk eerst in pakken geplaatst en later samengevoegd tot één boek. Daardoor heeft men in die tijd de correspondentie in onderwerpen kunnen verdelen en is een overzicht gemaakt van de ingekomen stukken. Uit deze overzichten blijkt dat er ooit archiefstukken zijn geweest van bepaalde onderwerpen, die nu niet terug te vinden zijn.

Omdat veel stukken niet zijn aangetroffen is besloten geen stukken meer uit genoemde periode te vernietigen. De aangetroffen ordening is zoveel mogelijk gehandhaafd.

Vermoedelijk is bij het uitlenen geen gebruikgemaakt van enig registratiemiddel. Dat heeft er waarschijnlijk toe geleid dat archiefstukken zijn verdwenen. Er is geen vernietigingslijst gevonden, waaruit kan blijken waarom stukken ontbreken.

Wel zijn er series teruggevonden met o.a. een gedeelte bouwvergunningen en een gedeelte Hinderwetvergunningen.

In deze inventaris zijn ook enkele stukken te vinden die de periode 1795-1939 overschrijden. Om de zaken toch logisch bij elkaar te houden zijn ze in totaliteit opgenomen.

De kadastrale legger van 1864 is tot en met het jaar 1969 bijwerkt. Deze registers bevatten een begin en een eind en om het verband intact te houden, is deze serie in deze inventaris opgenomen.

Wanneer er stukken zijn die in een ander inventaris nogmaals worden behandeld wordt verwezen naar de inventaris waarin deze serie staat.

Door de inventarisatie van het gemeente bestuur over de periode 1795 tot en met 1939 is het oudst bekende gedeelte van het Puttense gemeentebestuur toegankelijk in het gemeentearchief.

Bij de inventarisatie van het archief van het gemeentebestuur is een aparte serie aangetroffen van het gemeentelijk Gasbedrijf. Deze serie is los aangetroffen en het vermoeden bestaat dat dit een aparte "tak van dienst" is geweest. Deze serie zal los van het gemeentebestuur worden beschreven.

Het college van burgemeester en wethouders heeft het archiefgedeelte 1795-1939 officieel overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Putten, zodat dit archief openbaar is in de zin van de Archiefwet 1995.

Stukken die nog niet openbaar zijn, zijn gekenmerkt met een *). Deze stukken worden na 100 of 75 jaar openbaar.

Na officiële overdracht zal de inventaris op de website van het gemeentearchief worden geplaatst. Geïnteresseerden kunnen de inventaris thuis raadplegen en vooronderzoek doen.

 

J. Smit

Archivaris

 

 

Uitgelicht